Buurtleven
Hans Raj Verma, zoon Van Gaby De Schepper en HukamRaj Verma, geboren en getogen in het Patershol verruilde het ouderlijke nest in de Hertogstraat voor het land van de rijzende zon.

“Ik slaap nergens zo zacht”
Wanneer je in een betonnen jungle woont, besef je pas hoe goed het leven in de Arteveldestad wel is. De stroppendragers zijn trots op hun erfgoed en ik deel maar al te graag die trots hoewel ik ruim een decennium terug de strop heb laten hangen. Pakweg 20 jaar geleden stond Gent niet op de wereldkaart.
Vandaag prijkt een vectortekening van de Graslei op de cover van de Belgische editie van Sekai no Arukikata, zeg maar de Guide du Routard van de Japanners, en heeft mijn thuisstad het gehaald van La Ville-Lumière in een strijd om de superlatieven van authenticiteit. Ik zeg “thuisstad” omdat er maar één thuis is,die waar ik de herrie van de vluchtige grootstad even kan vergeten om echt tot rust te komen.
Het klinkt misschien paradoxaal dat een deserteur naar het land van de theeceremonie er jaarlijks 3 intercontinentale vluchten voor nodig heeft om de echte innerlijke zen te vinden – en dat in het Patershol dan nog wel. Aangezien “zen” een wat Platonisch begrip blijft, druk ik die rust best uit als een zorgeloze toestand in een kader van Bourgondische gezelligheid, iets waar steeds meer niet-Vlamingen naar op zoek zijn. We zijn onze droge noorderburen bijna krediet verschuldigd voor het herontdekken van onze waarden eind de duistere jaren 80, toen het Kattenhuis in mijn straat eindelijk een dak en een facade kreeg en het Patershol een culinair pelgrimsoord werd. Ik voel mezelf dus af en toe een “ Vliegende Gentenaar” op zoek naar zijn Dreupelkot met die Franse “r”.
Toen Maaike me vroeg een paar zinnen te schrijven over mijn band met het Patershol was ik ervan overtuigd dat dit makkelijker zou gaan vanop mijn bureau op de 44ste verdieping. Hoe onprofessioneel het ook moge wezen tijdens de werkuren, mijn westelijk zicht op de zonsondergang achter de mythische Mount Fuji en de immense metropool die zich aan zijn voeten uitstrekt staat me toe even weg te dromen naar de zolderkamer in de Hertogstraat met zicht op de kantelen van het Gravensteen. Ik herinner me nog de uren dat ik er zat te blokken voor wat men toen nog kandidaturen en licenties noemde in een versleten fauteuil vlak voor het open raam waar je op een warme zomermiddag alleen de vlaggen van het kasteel hoorde wapperen en tram 1 over de brug hoorde daveren. Was er maar een oude markt of sjacherbeurs waar ik oude zetels kon vinden hier.
Veel kennissen in Tokio die foto’s zien van het huis en de buurt waarin ik ben opgegroeid uiten alleen onbegrip voor mijn keuze om te leven als mier in een weliswaar perfect georganiseerd nest van 33 miljoen: “zo mooi ginder, wat doe je hier in godsnaam?” Ik heb me als kind altijd aangetrokken gevoeld tot het exotische, onbekende en het ondoorgrondelijke. Als puber hielp ik met plezier internationale artiesten laden en lossen in de Trommelstraat tijdens het Puppet Buskersfestival. De confrontatie met andere waarden en gebruiken in Japan (en elders in Azië) is fascinerend – ik durf zelfs zeggen verrijkend – maar ook soms erg pijnlijk. Dit is een maatschappij waar de vergankelijkheid deel uitmaakt van het leven zelf. Niets is eeuwig, zo ook het karakter van de stad. Het klopt dat het beverig gedrag van de 3 tectonische platen waarop ’s werelds grootste conurbatie is ontstaan daar wellicht mede voor verantwoordelijk is, maar toch geloof ik dat men hier veel gemakkelijker in staat is de realiteit te ondergaan en het vluchtige aspect ervan te accepteren.
Ik denk dat een Europeaan zich ongemakkelijk zou voelen bij de gedachte dat de skyline van zijn stad elk jaar verandert. We zijn grootgebracht met het idee dat elk cultureel artefact permanent is. De strijd voor conservatie en bescherming van een oude baksteen zit ingebakken in onze genen omdat we ervan uitgaan dat architectuur de geschiedenis in stand houdt... terwijl onze Westerse waarden au fond sterk veranderd zijn. Bakstenen zijn heilig maar een lesbisch huwelijk is geen taboe meer. Hier is het net andersom. Cultuur in de vorm van normen, sociale waarden, tradities en haar ceremoniele aspect is (vanuit Europees oogpunt althans) zeer conservatief en amper veranderd terwijl het gezicht van de stad onherroepelijk is toegetakeld in de naam van vooruitgang. Een gebouw blijft amper 25 jaar staan.
Veel expats verloochenen hun roots en noemen deze wankele stad met haar hedendaagse versie van het ukiyo of de vlottende wereld van de Edo periode hun thuis. Maar ik vind het gevaarlijk om alle banden met mijn echte thuis en de romantische ziel van een provinciestad als Gent te verbreken. Europeanen zijn expressief, emotioneel zelfs. En ik hou daar nog steeds van. Die charme, inherent aan Europa’s identiteitsproblematiek, is een essentieel component van de gezelligheid die we zo op prijs stellen. Het Patsershol- patrimonium vormt dan ook het perfecte decor voor een babbelsessie vol Gentse roddel en humor met familie, vrienden en buren. Er is geen betere plek dan Julie’s zonnig terrasje aan de Kraanlei om eens bij te praten over een pot koffie en een heerlijk stukje citroentaart. De adrenaline van het dagelijkse leven hier kan slechts in balans gebracht worden met een hunkering naar het rustieke. Vergeet tatami’s en futons, nergens slaap ik zo zacht als in de Hertogstraat.
Ik kijk al uit naar Kerst.